Geschiedenis van Carnaval in Hoeven
De muzikale opening
"t is nou wir carnaval en eel Doeve ee wir leut"
Het zijn de eerste regels van het Hoevense carnavalslied, afgedrukt in een kort bericht in het Brabants Nieuwsblad van 13 februari 1961. Dat lied klonk tijdens de carnavalsbals op maandag 13 en dinsdag 14 februari in zaal Verholen ofwel café De Zwaan, St.Janstraat 21. Die dinsdag-middag trok de eerste carnavalsoptocht door Hoeven, een kinderoptocht. Het was het begin van een prachtige volkstraditie. Tot ongeveer 1960 was het carnavalsfeest in Hoeven beperkt tot de verklede dorpsjeugd die op vastenavond langs de deuren trok en na het zingen van een liedje iets lekkers hoopte te krijgen. Hierbij werd dan zeker het seminarie niet vergeten, want het was algemeen bekend dat daar op die avond pannekoeken werden gebakken. Het waren enkele leden van de fanfare St. Caecilia die in 1958 van het carnavalsfeest iets meer wilden maken. Ze organiseerden binnen de eigen vereniging een carnavalsavond. Deze initiatiefnemers van het Hoevense carnaval waren M. van Eekelen, J. wijnen en A. Buijs. Het vastenavond-feest had aanvankelijk een zeer bescheiden karakter en de leden van de fanfare vormden zelf een boerenkapel.
De organisatie
De eerste jaren werd carnaval gevierd zonder een echte prins. Als zodanig fungeerde een pop, die op een houten bok de feestzaal werd binnengereden. In oktober 1960 werd het initiatief om te komen tot de organisatie van festiviteiten overgenomen door enkele jonge leden van de fanfare. In de achterkamer van het café van Truus en Rien de Bruin (nu St.Janstraat 11) werden de eerste vergaderingen gehouden en met name Sooi Wijnen, Jac. Lauwerijssen, Piet Rommers en Nico Dingenouts waren degenen die de aanzet gaven tot het vormen van een echte Raad van Elf met een prins en een nar. Sooi Wijnen werd de eerste Grootste Boer, een functie die hij tot 1975 heeft vervuld. De eerste Hoevense Raad van Elf bestond verder uit Toon Kerstens als secretaris, Jac. Lauwerijssen die de dubbelfunctie vervulde van penningmeester en nar, en verder Nic. Dingenouts, Piet Rommers, Gerrit Wijnen, Cees Schouw, Rinus Moerings, Piet Maes, Piet Nelissen en Kees van Unen. Het toenmalige hoofd van de jongensschool, Gabriël Lockefeer, was de eerste officiële prins en vervulde gedurende negen jaar deze rol als Prins Peej den Eerste. Hij koos deze naam, omdat de Hoevenaren al vóór de Tweede Wereldoorlog in de regio bekend stonden als "peejenzaaiers", dus als goede zaaiers van "sukkerpeejen". In de carnavalstijd werd nu die vroegere benaming voor de Hoevenaren gebruikt. Ondanks zijn leeftijd, bij zijn afscheid als prins was Lockefeer 63 jaar, wist hij in de carnavalsperiode iedereen tot uitbundige vreugde te brengen. Hij was een groot voorstander van het vieren van carnaval als gemeenschapsfeest en is zeker een baanbreker geweest voor de carnavalsviering in Hoeven. De eerste Raad van Elf begon met een totaal lege kas. Om die te vullen werden er een neuzenbal en snorrenbal gehouden in zaal De Zwaan. De Raad van Elf, gekleed in gewone boerenkiel en voorzien van witte klompen, verkocht zelf de neuzen en snorren aan de bezoekers en zo kwamen de eerste gelden binnen. De balavonden waren toegankelijk voor leden, donateurs en begunstigers van de fanfare en hun huisgenoten, maar hiertoe mocht zich de gehele Hoevense bevolking rekenen. Het waren toch in het begin voornamelijk de jongeren die de weg naar de bals wisten te vinden. Prins Peej I deed verschillende keren een oproep om ook de oudere Hoevenaren van tussen de 30 en 80 jaar bij het feest te betrekken. Hij wilde er graag een aparte avond aan besteden om deze groep met een eigen programma over de streep te trekken. Het lukte de Raad van Elf ook om meteen in dat eerste jaar(1961) een kinder- carnavalsoptocht door de Hoevense straten te laten trekken met vooral groepen en individuelen als deelnemers. De bewoners van de Palingstraat waren de eerste eerste-prijswinnaars bij de wagens. Zij vestigden met hun zinkend schip de aandacht op de erbarmelijke staat van het wegdek in hun straat en introduceerden hiermee meteen de dorpspolitiek in de optocht.
De carnavalskrant
In 1962 werd er een wedstrijd uitgeschreven, waarbij de deelnemers een carnavaleske tekst moesten maken op een bekende melodie. De tekst moest bestaan uit twee coupletten en een refrein en de winnaar kon rekenen op een fraaie prijs. De winnaar werd Piet van Oosterhout, die een jaar later zelf drie liedjes instuurde met in totaal maar liefst dertien coupletten. Dat jaar werd tevens een nieuwe nar aangetrokken in de persoon van Gerrit Wijnen,die op zijn beurt twee jaar later werd opgevolgd door Jac Brekelmans. De eerste carnavalskrant verscheen eveneens in 1962. Deze krant was aanvankelijk niet meer dan een dubbel blad, zoals in die tijd het parochieblad De Nieuwe Week eruit zag. De voorpagina was bestemd voor een woordje van burgemeester en prins, het carnavalslied en het programma. De rest van de krant bestond uit advertenties van de plaatselijke middenstand. Later werd de krant steeds uitgebreider en werd het meer een moppenkrantje. Vooral na 1982 werd de carnavalskrant een steeds belangrijker bron van inkomsten. Met het grote aantal advertenties moest de krant wel leesbaar blijven, zodat er ook steeds meer verhalen en rubrieken in geplaatst werden.
De bals
De belangstelling voor de carnavalsbals groeide geleidelijk. Daarom werden die bals vanaf 1964 gehouden in de grote zaal van Het Kompas. In 1966 deed de Peejenprinses haar intrede. Er was echter een lange vergadering aan voorafgegaan om de gehele Raad van Elf te laten instemmen met dit voor de regio unieke voorstel. Corry Bol uit de Bovenstraat was de eerste die deze functie mocht vervullen. Het is lang een traditie gebleven om op maandagavond de nieuwe prinses te presenteren. De eerste jaren werd er echt een verkiezing gehouden, waarbij stembriefjes werden uitgedeeld en er zeer actief werd gelobbyd. Dit had echter wel enkele keren tot gevolg, dat de gekozen prinses niet in de klaarhangende jurk paste, zodat deze met sluitspelden bij elkaar gehouden moest worden. Ook bleek het een steeds groter probleem te worden om meisjes te vinden, die aan deze verkiezing mee wilden doen. Daarom werd in 1975 besloten, dat de prins voortaan zelf op zoek ging naar een Hoevense schone, die bereid was carnavalsprinses te worden. Het presenteren van haar aan de Hoevense carnavalsvierders werd later ook verschoven naar de zaterdagavond, zodat ze bij het gehele feest aanwezig kon zijn en niet zoals voorheen een jaar moest wachten om haar taak te volbrengen. Eveneens werd in 1966 een tijdelijk standbeeld van de Peejenzaaier geplaatst op het Raadhuisplein. Dit beeld dat ieder jaar op carnavalszaterdag door de prins wordt onthuld, symboliseert gedurende vier dagen het carnaval in Hoeven. Het is een geesteskind van broeder Donatianus Molenkamp uit Oudenbosch, een goede bekende van Gabriël Lockefeer en tekenleraar aan de pedagogische academie De Vossenberg in Oudenbosch. Hij vervaardigde het eerste exemplaar van veel gaas en papier. In 1969 bleek de Peejenzaaier op zondagochtend in de carnavalstijd te zijn verdwenen en men vermoedde al snel, dat er sprake was van een ontvoering. De zaak werd gelukkig spoedig opgelost, want tijdens de optocht op dinsdagmiddag behaalde wijkvereniging `t Gors de eerste prijs met een wagen, waarop de ontvoerde Peejenzaaier in vol ornaat werd meegevoerd. Tidens het halfvastenbal van 1969 werd afscheid genomen van Prins Peej I. Een geheime vergadering in café In den Bocht koos Frans Renne, directeur van de Boerenleenbank, tot zijn opvolger. Deze ging vergezeld van zes "dansmariekes" als onervaren Prins Peej II het carnavalsfeest van 1970 in. Hij vervulde op voortreffelijke wijze zijn taak, alsof hij het al jaren had gedaan.

De optocht
De optocht had intussen een geweldige positieve impuls gekregen door het ontstaan van de wijkverenigingen. In alle wijken wisten mensen elkaar te vinden om de deelname aan de optocht namens de wijk te bevorderen en elk jaar groeide de optocht niet alleen in aantal deelnemers maarzeker ook in kwaliteit. De eerste jaren gebeurde het nog wel, dat de wagens, die voornamelijk gebouwd waren met papier en verfraaid met waterverf, veel te lijden hadden van een fikse regenbui. Maar al spoedig gingen de wagenbouwers over op het gebruik van andere technieken en duurzame materialen. Hun creaties namen daardoor toe in omvang en hoogte. Door de fanatieke, maar vooral sportieve strijd tussen de wijkverenigingen groeide de kwaliteit van de optocht naar een bijzonder hoog peil. Ook de keuze van de mannen van het eerste uur om de optocht op dinsdagmiddag te houden heeft er zeker toe bijgedragen, dat de Hoevense optocht al decennia lang vele duizenden kijkers uit de omliggende plaatsen trekt.
Aan een zijden draadje
Toch is er ook een periode geweest, waarin het voortbestaan van deze prachtige optocht in gevaar kwam, waarbij het in 1969 zelfs nog even onzeker was, of hij wel door zou gaan. De reden hiervan was, dat het prijzengeld in de omliggende plaatsen een stuk hoger lag dan in Hoeven, waardoor het voor diverse wijken erg aanlokkelijk werd om elders mee te rijden. Tijdens een vergadering met de verschillende wijkverenigingen werd echter de afspraak gemaakt, dat geen enkele Hoevense wagen in een "vreemde" optocht mee mocht rijden vóór deze in Hoeven had gereden. De Raad van Elf stelde alles in het werk om het prijzenbedrag verhoogd te krijgen, maar ondanks de verkoop van replica`s van de Peejenzaaier lukte het niet om de benodigde gelden binnen te krijgen. Er werd uiteindelijk met succes een beroep gedaan plaatselijke Boerenleenbank, die begrip had voor de situatie, waarin de Hoevense optocht verkeerde. Er werd een passende bijdrage geschonken, zodat de hoofdprijs bij de wagens verdubbeld kon worden. Ook aan het eind van de jaren tachtig, begin negentig kende de optocht om dezelfde financiële reden een terugval in het aantal deelnemende wagens. Het elfjarig bestaan van de Raad van Elf werd in 1972 op grootse wijze gevierd met een bijeenkomst in Het Kompas voor alle West-Brabantse Raden van Elf met hun prinsen, narren en hofkapellen. Ook de inmiddels veertien wijkverenigingen werden bij het feest betrokken. Voor de meeste originele huldiging had de Hoevense Raad van Elf enkele prijzen beschikbaar gesteld. De eerste prijs was voor de wijk De Luie Hoek, gevolgd door de Julianastraat en de Hertenlaan. Ook de hofkapel De Peejenzaaiers had zich inmiddels sterk ontwikkeld en werd in 1974 losgekoppeld van de fanfare. Als zelfstandige kapel ging zij verder met het opluisteren van het carnavalsfeest.
Wisseling van de wacht
Tijdens de viering van "den elfde van de elfde" (11 november) in 1974 werd er afscheid genomen van zowel Frans Renne als Sooi Wijnen en werden tevens hun opvolgers gepresenteerd. Toon Kerstens werd de derde prins, maar de eerste die zich niet bediende van de naam Prins Peej. Vanwege de toepasselijkheid van zijn eigen voornaam voor de muzikale klanken, die onmisbaar zijn voor het carnaval, besloot hij zich Toon den Eerste te noemen. Tinus Augustijn werd de nieuwe Grootste Boer. Behalve een andere naam voerde Prins Toon nog meer veranderingen door. Zo was hij de eerste Hoevense prins die jaarlijks een carnavalsmotto vaststelde en was hij de initiatiefnemer tot het houden van een carnavalsmis. Voor dit laatste moest toen nog wel eerst dispensatie worden gevraagd bij de bisschop, maar al snel kreeg deze activiteit navolging in diverse ander West-Brabants kerken. In 1976 werd Harry Meesters de nieuwe nar die onder de naam Aoike voor het nodige spektakel zorgde. Prins Toon I voerde zeven jaar op voortreffelijke wijze het carnaval in het Peejenland aan.
Inspraak
Het jaar 1981 werd een bewogen jaar. De wijkverenigingen hadden te kennen gegeven, dat ze meer zeggenschap wilden krijgen in de besluitvorming van de Raad van Elf. Hiertoe werden door de wijkverenigingen statuten en een huishoudelijk reglement opgesteld voor een carnavalsstichting, waarin de wijken met dertien wijkcommisarissen en de voltallige Raad van Elf zitting zouden nemen. De belangrijkste wijzigingen die men wilde doorvoeren, waren inspraak bij de invulling van een vacature in de Raad van Elf en de keuze van prins, nar en hofkapel. Hoewel men tijdens een vergadering in september heel dicht tot elkaar was gekomen, bleken de compromissen, die moesten leiden tot het wijzigen van enkele knelpunten in de statuten, niet of onvoldoende te beantwoorden aan de eisen van de Raad van Elf. Op 17 oktober 1981 trad de Raad van Elf met uitzondering van voorzitter A. Augustijn af. Ook Prins Toon I en nar Aoike stonden achter deze beslissing en legden hun functie neer. Op den-elfde-van-den-elfde vond in zaal De Kroonvleugel (St.Janstraat 11) een bijzondere gebeurtenis plaats. Voor elf van de dertien wijken werden die avond de akten van oprichting gepasseerd voor notaris Schreurs uit Oudenbosch. De deelnemende wijken De Akkerlingen, De Deurdouwers (Julianastraat), Den Driehoek (Moleneind en Balrouw), De Flierfluiters (Hofstraat, Bovendonksestraat en aangrenzende oostelijke straten, De Heul, De Kruisstraat, De Leutuilen (zuidelijkste deel van de Bovenstraat), De Palingstraat, De Puitenkuil (Julianastraat) en De Spie ( Oude Antwerpse Postbaan, Haspel en Achter `t Hof) kregen alle dezelfde statuten. Het Gors en de Brandestee (ten zuiden van de Hertog Janlaan) beschikten reeds over statuten. Bovendien werd op die avond ook de akte van oprichting van de Carnavalsstichting De Peejenzaaiers voor de notaris gepasseerd. De voorbereidingen voor het nieuwe carnavalsseizoen waren inmiddels in volle gang. Zo werden op 14 november 1981 tijdens den-elfde-van-den-elfde-viering in zaal De Zwaan (St.Janstraat21) een nieuwe prins en nar gepresenteerd. Prins Martien (Musters) en nar Joske (Konings) gingen in 1982 voorop in het Hoevense carnaval met het motto "We staon d´r veur". De Raad van Elf was nog niet volledig, maar toch was het de stichting gelukt om een zevental kandidaten te vinden. Later volgde nog aanvulling en men ging als "Boerenploeg" verder in het Hoevense carnaval. Opvallend is dat in de laatste decennia van de twintigste eeuw de Hoevense carnavalsprins minder lang in functie bleef dan daarvoor. Kenden we in de eerste 21 jaar drie prinsen, de volgende 20 jaar waren er zeven leutvorsten in Peejenland. Ook de functie van Grootste Boer is in deze laatste periode door achtereenvolgens zeven personen ingevuld. Tot 1982 echter waren er maar 2 personen die deze taak op zich namen. De Carnavalsstichting De Peejenzaaiers is er in samenwerking met de wijkverenigingen prima in geslaagd om het hoge peil, dat was bereikt vóór 1982, verder uit te bouwen. De optocht die tegenwoordig door de Hoevense straten trekt, bestaat nog steeds geheel uit eigen creaties en kan de concurrentie met de gehele regio met gemak aan.
Bron: Heemkundekring De Honderd Hoeven